Eigenlijk wilde ik het over iets totaal anders hebben. Over mijn groeiende irritatie over de trend om blessures te simuleren om zo een tegenstander een kaart aan te naaien, een strafschop te versieren, tijd te rekken of wat dan ook.
Dit schooltoneel tierde weer welig in het betaald voetbal, met als dieptepunt het moment dat scheidsrechter Marc Nagtegaal een aanval van PSV onderbrak, omdat Groningen-aanvaller Younes Taha na een botsing met Ismael Saibari kermend van de pijn was blijven liggen. Iedereen zag dat er een aansteller actief was, toch tuinde de arbiter erin. PSV-trainer Peter Bosz ontplofte en terecht.
Alleen Martin van den Kerkhof had bij FC Utrecht – Feyenoord het lef om na een schwalbe van Miguel Rodriguez geel te trekken. Omdat het zijn tweede was, werd het ook nog rood en dat deed pijn.
En toen was er Niek Schiks. Meteen kon ik stoppen met mijn kritiek op de mentaliteit van de nieuwe generatie topvoetballers. Want dit is zoals het moet zijn. Een 22-jarige sportman, die na 14 jaar opleiden bij PSV bij gebrek aan beter zijn debuut moest maken. De doelman uit de eigen opleiding, die lijdzaam had moeten toezien hoe Matej Kovar en Nick Olij werden gekocht en zijn droom om het eerste van PSV te halen tot een minimum werd gereduceerd.
Tot een dag voor FC Groningen – PSV bleek dat zowel Kovar als Olij geblesseerd was en hij moest spelen. Zo kwam na veertien jaar de droom alsnog uit. En hoe! Niek Schiks keepte een foutloze wedstrijd en had dankzij twee cruciale reddingen een wezenlijk aandeel in de zwaar bevochten 1-2 overwinning. Waarna het stoïcijns ogende talent zou breken toen na afloop de meegereisde supporters zijn naam scandeerden.
Dit is wat je wilt zien. Iemand die van onder tot boven het dna van zijn club in zich heeft. Tijdens een fase waarin clubliefde devalueert, talenten steeds jonger voor geld kiezen en slaafs hun zaakwaarnemer volgen, bestaan ze dus nog. Iemand als Niek Schiks. Die van PSV houdt en daarvoor alles wil geven. Een speler waar je als club alleen maar van kunt dromen.

